Vandaag, 16 februari, is het twintig jaar geleden dat Lode Claes overleed. De jongste paar jaar – en al zeker sinds de machtsdeelname van de N-VA – rolt zijn naam terug over de tongen. Wetstraatwatcher Dave Sinardet (her)ontdekte hem zelfs als ‘schoonmoeder’ van de ‘Bocht van Bracke’, en mocht hij dat niet al zijn, dan zou hij toch minstens die bocht goedkeuren. Een portret.

 

Conservatief

‘Als ik iets ben, is het conservatief,’ zei Claes bij het eerste gesprek dat ik mocht opnemen, nog op zo’n kleine cassetterecordertje – de gsm stond immers nog pas in zijn kinderschoenen in 1995, wie er toen een had was écht wel een snob. Vandaag zouden we zo iemand een early adapter noemen, maar dat is niet relevant voor dit verhaal. ‘Maar een conservatief met een grote C,’ vulde hij aan. Een ‘Conservatief’ dus, van levenshouding én Weltanschauung. Ideologisch zelfbewust iemand die niet zozeer niet mee wil zijn met de tijd, maar vooral de waarden van weleer niet overboord wil gooien voor welke nieuwlichterij ook. ‘Sociaal Vlaamsgezind, economisch liberaal en ethisch conservatief,’ noemde hij zich. Een hele mond vol. Het waren de basisprincipes van zijn politieke bestaan. Die drie, en de nood aan een elite – nog zo’n stokpaardje van de in de kleine Vlaming gefrustreerde ‘in every inch a gentleman’-politician. ‘Het is mijn volk, ik heb er geen ander,’ mag dan wel een uitspraak zijn van een Hugo Schiltz die ontgoocheld was in het weinig strategische inzicht van de ‘kleine’ flamingant, als hij nog maar eens aan een staatshervorming aan het laboreren was. De uitspraak had evengoed van Claes kunnen komen – Schiltz’ omen.

 

Portret 

Obligaat in een historisch portret is een chronologisch overzicht. Ik zou lui kunnen verwijzen naar Wikipedia. Of naar de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Het lemma dat daar aan Claes is gewijd, is gekopieerd uit de oude Encyclopedie. Nochtans staan er fouten in, en is het verre van volledig. Na Manu Ruys’ werk in 1973 verdiende zijn lemma over Claes een serieuze update, maar de toenmalige redactie van de NEVB besliste er anders over. Het is dus wachten op de digitalisering van de encyclopedie door het ADVN, om voor de nodige aanvullingen te zorgen.

Dus waag ik me kort aan een korte (en selectieve) opsomming van feiten. Lode Claes (°17 juni 1913) werd gevormd in het op dat moment ‘radicale’ want politiek uitgesproken ‘Vlaams-nationalistische’ AKVS, het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS). Daar ging hij zelf prat op. Hij was op latere leeftijd ook lid van de Stuurgroep Oud-AKVS, die de oud-leden samenbracht. Op het moment dat Claes voor het AKVS koos, hadden de bisschoppen de uiteindelijk overwinnende concurrent Katholieke Studenten Actie (KSA) opgericht, omdat het AKVS te radicaal en te politiek was, en weg was gedreven van de officiële Rechterzijde, de katholieke partij. De Frontpartij en de lokaal en regionaal georganiseerde daensistische en rechts-katholieke nationalistische en formaties waren veel aantrekkelijker voor de jongeren van het AKVS. In de tweedelige publieksuitgave van Louis Vos’ doctoraat over het AKVS speelt Claes echter geen belangrijke rol. Behalve dat hij een zomerkamp zou geleid hebben in 1934, en wel op een ‘autoritaire manier’. Bronnen daarvoor zijn er niet meteen, wie dieper graaft komt in een vicieuze cirkel van naar elkaar verwijzende citaten terecht, zonder dat er een specifieke bron is die dat aantoont. Zijn er nog tijdgenoten die dit kunnen bevestigen?

Na het AKVS volgt er – logischerwijze voor wie toen verder studeerde – het KVHV in Leuven, het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond. Toen ik begin jaren 90 in Brussel en Leuven studeerde, liepen er heel wat ‘rode petten’ rond die zich expliciet ‘conservatief’ noemden. En sommigen hadden toen al een bijzondere interesse voor Lode Claes. Wisten we toen veel dat ik hem gedurende anderhalf jaar op regelmatige basis zou spreken …

In dat KVHV richtte hij mee de Politieke Academie op. Nog zo’n feit waar vaak naar verwezen werd, maar waar bijzonder weinig informatie over bestaat. Wijlen prof. Piet Tommissen besteedde er twee artikels aan in AKVS-Schriften. Hij moest wel, want in de NEVB komt de Politieke Academie verder niet aan bod. Enkele studenten wilden zich destijds van het ‘traditionelebierflamingantisme onderscheiden en droomden ervan het KVHV op een hoger peil te tillen’. Dat klinkt op het lijf geschreven van Claes, en ja, hij geldt als medestichter in 1932. Hij zou dan – volgens Tommissen – uit het Verdinaso gestapt zijn, dat Joris van Severen had opgericht in het najaar van 1931. Al verwees Claes met veel respect en sympathie naar Van Severen in onze gesprekken. Hij had op zijn appartement zelfs een borstbeeld van ‘de Leider’ staan. Nu goed, hij had er ook een van zichzelf staan …

Doel van Claes was het intellectuele peil van de studenten op te krikken door hen kennis te laten maken met de grote politieke stromingen en denkrichtingen van die tijd, onder anderen de latere BWP-voorzitter Hendrik De Man, oud-activist Antoon Jacob, de latere premier prof. Gaston Eyskens en de machtige naoorlogse ACV-secretaris August Cool waren er te gast. Iets wat Claes heel zijn leven zou typeren: lijntjes uitwerpen naar interessante krachten – op vlak van intellect, invloed en macht – en hen op of een andere manier aan zich verbinden. Als hij op gezegende leeftijd de Lode Claes Debatgroep start of de redactieadviesraad van het zakenblad Trends, deed hij daar net hetzelfde: interessante mensen van verschillende obediënties samenbrengen om op niveau te discussëren. Overigens, één thema kwam altijd opnieuw terug in Claes’ debatgroepen, en al op 23 november 1936 in een publieke vergadering van een ‘Politieke Academie’ voor oud-studenten die al in het professionele leven stonden: ‘de politieke hernieuwing in Vlaanderen’. Sommige dingen veranderen niet. 

Na de Politieke Academie vinden we Lode Claes achtereenvolgens terug als journalist van het VNV-weekblad Volk en Staat. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij in de Nationale Landbouw- en Voedingscoöperatie. Als de Duitse bezetter in 1942 de Brusselse gemeenten samenvoegde tot één fusiegemeente Groot-Brussel, wordt hij er schepen. Dat staat ook netjes op zijn overlijdensbericht, net boven de vermelding dat hij van 1970 tot 1976 schepen was van de communautaire draak ‘Brusselse Agglomeratieraad’. Claes zag daar een mooie rode draad in – een kwestie van consequentie, iets wat zijn familie niet echt kon appreciëren.

Veroordeeld voor collaboratie komt hij terecht in Sint-Gillis en het Klein Kasteeltje. In Claes’ archief bevinden zich een halve meter schriftjes met aantekeningen in potlood. De voorbereidingen van de cursussen sociologie, filosofie, politiek die hij aan zijn medegevangenen – vaak laagopgeleiden – gaf, en met succes. Later keek hij met meewoed terug op zijn hechtenis, in gesprekken leek het er wel op dat hij die niet als een straf ervaarde, maar als een ‘volksuniversiteit’. Hij kreeg er immers de boeken die hij wou. De op kennis gerichte jonge Claes kwam in het vizier van aalmoezenier Hubert Drijvers sj. Via hem kwam hij eens vrij meteen terecht in de redactie van het in 1948 opgerichte jezuïetenweekblad De Vlaamse Linie. Een intransigent katholiek-Vlaams weekblad dat streed voor de terugkeer van Leopold III, tegen communisme en vrijzinnigheid, en voor clementie voor de ‘zwarten’, de besten van het volk, de Vlaamse elite, die onder de duim werd gehouden. Claes had zijn burgerrechten nog niet toen, wat hem noopte onder een pseudoniem te schrijven, een combinatie van de voornaam van zijn vader met de achternaam van zijn moeder: Georges Frederickx. In dat blad zorgde hij voor de nodige ophef – niet het minst met zijn pleidooien voor economisch regionalisme en politiek federalisme – maar hoofdredacteur Karel van Isacker s.j. hield hem de hand boven het hoofd.

Die journalistieke carrière zette hij nog kort even voort op de Antwerpse redactie van De Standaard. Als veroordeelde moest hij het immers elders zoeken dan aan de Antwerpse balie, waar hij voor de oorlog aan de slag was als advocaat. Geïnteresseerd in politieke sociologie, vooral in taalverhoudingen en elitevorming, werd hij secretaris van de Economische Raad voor Vlaanderen – voorloper van de huidige SERV, was hij betrokken bij de oprichting van de Orde van den Prince, en publiceerde hij her en der over de noodzakelijke hervorming van de staat, elitevorming en conflictsociologie, waar hij een adept van was.

 

Partijpolitiek

In de jaren 1960 komt hij via oud-minister Camille Gutt terecht in de BBL en de bank Atlanta. Vooral als flamand de service, de bank was een Franstalig bolwerk en kon een Vlaamse antenne gebruiken nu Vlaanderen economisch de rug rechtte en Wallonië voorbij stak. Ook in die periode viel hij Volksunievoorzitter Frans Van der Elst op, die hem vroeg bij de Volksunie te komen. Daar werd hij lid van de Brusselse agglomeratieraad, senator (1968-1978) en gemeenteraadslid in Elsene (1976-1982). In l’oasis francophone was hij de enige Vlaming, verkozen, op een Vlaamse eenheidslijst. Het zou nog duren tot Luckas Vander Taelen eer Elsene nog een Vlaming telde in de gemeenteraad.

Die Volksuniepassage is niet onbelangrijk geweest voor de evolutie van de politiek in Vlaanderen. Zelf was hij geen groot partizaan van zijn partij, waarvan hij zei ‘j’y étais sans y être’. Hij legde in opdracht van Vander Elst wel contacten met Franstaligen uit politiek en zakenwereld om stilaan die hoogstnodige staatshervorming voor te bereiden. Vooral dan in de jaren 70, als het duidelijk werd dat de (later eerste fase genoemde) staatshervorming van 1970 verre van toereikend was. Het zijn die contacten met Franstaligen waarop Hugo Schiltz later op voortbouwde om tot het Egmontpact te komen. Daar ligt ook de scheiding van Claes met de Volksunie. Niet zozeer in zijn geschillen met de vele VU’ers die er maar linkse of libertaire ideeën op nahielden of om het emotioneel beleden volksnationalisme, waarvoor Claes letterlijk en figuurlijk allergisch was.

Dat Claes het niet eens zou zijn met de premissen van het Egmontpact geloofden velen toen niet, en ik vandaag ook niet. Er speelden andere elementen bij Claes om de Volksunie te verlaten en zijn eigen partij op te richten, de Vlaamse Volkspartij. Historisch onderzoek moet dat uitwijzen, de politieke biografie van Hugo Schiltz, waar Eric Van de Casteele al jaren aan werkt, kan misschien een tipje van de sluier oplichten. Feit is dat Claes het strikt communautaire van de Volksunie te eng vond. Hij streefde naar een grote centrumrechtse Vlaamse machtspartij, en had daarvoor – ook al gesteund door Hugo Schiltz – eerder in de jaren 70 contacten met onder andere PVV-voorzitter Frans Grootjans en VEV-voorman Vaast Leysen. Dat mocht niet zijn, de Volksunie plooide zich terug in zijn veilige communautaire carcan, trok na Egmont naar de verkiezingen en werd verpletterend verslagen. Wie ook verslagen werd, is Lode Claes. Zijn Vlaamse Volkspartij sloot een kartel met de Vlaams-Nationale Partij van Karel Dillen en trok naar de verkiezingen onder de naam Vlaams Blok. Dillen werd verkozen in Antwerpen, Claes niet in Brussel. En weg was het kartel. De VVP kwam in 1979 opnieuw op, voor de eerste rechtstreekse Europese parlementsverkiezingen. De slogan ‘Vlaanderen kent geen grenzen’ waarmee Claes en zijn kleine schare volgelingen naar de stembus trok, getuigde van Claes’ ambitie.

Na het Egmont-debacle en het opdoeken van zijn VVP, waarvan hij had gehoopt met een paar verkozenen een intellectualistisch forum te maken binnen de praatbarak van het Belgisch parlement, legde Claes opnieuw de nodige ambitie aan de dag. Willy De Nolf, vader van ‘meneer Rik’, stichter van Roularta, vroeg Claes om mee een zakenblad uit de grond te stampen. De deal zou beklonken zijn met enkele gin-tonics – toen het drankje nog niet zo hip was, was het al zijn favoriete cocktail. Zo werd Claes de eerste directeur van Trends, wat zijn enorme netwerk doorheen de jaren nog deed groeien. Hij kreeg er ook terug een ruim journalistiek forum door – al dook hij af en toe op in Le SoirKnack en De Standaard. Zo schreef hij tot op het einde zijn tweewekelijkse, later wekelijkse column in een staccato stijl die zijn opvolger Frans Crols evenzeer kenmerkt.

 

Actueel

Wie vandaag zijn columns herleest, of de twee ideologische boeken die hij publiceerde – De afwezige meerderheid en het daaropvolgende De afwendbare nederlaag – is zich snel bewust van de actualiteit van zijn stellingen. Het gebruik van macht in de politiek, het aangaan van de confrontatie met de Franstaligen, de nood aan een machtsbewuste Vlaamse politieke formatie naast – of boven – de ‘nederlaagpartijen’, de linkse kreten van de ‘identiteitsnegationisten’, het gebrek aan historisch bewustzijn, politieke herverkaveling … het zijn maar enkele thema’s die vandaag even actueel zijn.

Van dat immense netwerk maakte Claes eind jaren 80, begin jaren 90 gebruik alsof hij opnieuw een plek op de politieke Bühne wou. Bij Trends bouwde hij een redactie-adviesraad uit die op vrijdag samenschoolde. Parallel was er een Lode Claes Debatgroep. En later was er de 1 Oktobergroep. Als ik de ledenlijsten van die drie groepen naast elkaar leg, vind ik niet enkel veel overlappingen, maar zie je meteen ook de voorbode van een denktank die mee aan de grondslag ligt van wat in het najaar van 1992 – dit jaar dus 25 jaar geleden – de VLD wordt, de nieuwe partij van Guy Verhofstadt, de Vlaamse Liberalen en Democraten | Partij van de Burger. Claes zelf was betrokken bij de voorbereidende gesprekken tot de oprichting van de VLD, die conservatieve christendemocraten, Vlaams-nationalisten en liberalen moest samenbrengen. Operatie Centrumpartij 3.0, want de derde poging – na twee eerdere in de jaren 70 – waar hij bij betrokken was. Op de laatste dag van het stichtingscongres in Antwerpen was Claes niet opgedaagd, ook al was er een stoel voor hem voorbehouden op de eerste rij. En hier spreken mijn bronnen elkaar tegen. Claes zelf vertelde me dat hij het toen al niet meer zag zitten, het werd hem te politique politicienne, er kwam geen overtuigde ideologische geestdrift bij te pas, het was hem te ‘gewoontjes’ en het rook te veel naar postjespakken. Het nieuws dat de socialist Pierre Chevalier zou overkomen, zou hem tegengehouden hebben de stap te zetten. Toenmalig Antwerps PVV-kaderlid André Gantman, vandaag gemeenteraadslid voor N-VA in Antwerpen en een vertrouweling van Bart De Wever, zegt dan weer dat onder andere hij een stokje in Claes’ wielen heeft gestoken. Gantman is jood, zijn beide ouders hebben geleden onder de Tweede Wereldoorlog, hij ‘had niet mogen geboren worden’. Dat een ‘notoir collaborateur’ de VLD-rangen zou versterken, zou hij met zijn Antwerpse joodse en vrijzinnige achterban hebben tegengehouden. Het is maar één moment uit het leven van Claes dat verder uitgediept dient. 

Terug naar de leden van de debatclubs, adviesraden en denktanks die Claes oprichtte. Hij was ook betrokken bij de oprichting van de klassiek-liberale club Nova Civitas van Boudewijn Bouckaert, althans hij staat toch zo vermeld in het Staatsblad; naar de vergaderingen kwam hij niet. Niet alleen Bouckaert frequenteerde in die jaren Claes’ salons, ook namen als Herman Van Rompuy, Paul Beliën, Jean-Pierre De Bandt, Bruno Valkeniers, Gerolf Annemans, Leo baron Delwaide, Guy Clemer, Herman De Dijn, Albert Raes … Ik schreef er in 2000 al een artikel over in de toen nog papieren Doorbraak.

 

Macht en meerderheid

Toen Claes in 1977 de VVP oprichtte – Frans Verleyen beweerde in Knack (16.11.1977) dat ‘als het aan hem (Claes) gelegen had, zou hij zelfs de naam Vlaamse Populistische Partij gekozen hebben – wou hij vooral een zuivere ‘programpartij’ zijn. De Gazet van Antwerpen had het over een partij ‘voor Vlaamse macht’ (23/1/1978), De Standaard (21.11.1977) noemde hem een ‘cavalier seul’. Maar wát een cavalier. Zijn tijd én zijn volk vooruit. Niet alleen blijkt uit grondige vergelijking de beginselverklaring van de VLD (1992) een trouwe kopie te zijn van die van de Vlaamse Volkspartij (1977). Maar vooral laboreerde Claes constant aan datgene wat we vandaag de ‘Vlaamse grondstroom noemen’, en wilde hij de Vlamingen hun demografische meerderheid en economische macht ook politiek zien uitspelen. Sinds 2014 gebeurt er iets in dit land waarvan het bijzonder boeiend zou zijn te weten wat Claes er zou over zeggen.

Zou Bart De Wever Lode Claes goed gelezen hebben? Wat heeft Claes in de het AKVS en het Verdinaso gedaan? Welke rol heeft de Politieke Academie gespeeld? Wat was zijn impact in het vooroorlogse studiecentrum voor de hervorming van de staat? Heeft hij Karl Haushofer ontmoet in het interbellum in München, Carl Schmitt? En welke denkers nog? Kunnen zijn naoorlogse netwerken in kaart gebracht worden, en wat is daar uit voortgekomen? Heeft het persoonlijke conflict tussen Schiltz en Claes gezorgdvoor de uitstap uit de Volksunie? Waarom zijn de eerste twee pogingen van de Centrumpartij mislukt? Wat was Claes’ feitelijke inbreng in de stichting van de VLD? Ook zijn vriendschap met de cultureel-socialistische Maurits Naessens, zijn contact met Franz Petri, Victor Leemans, Franstalige politici, zijn sociologische inzichten … Het dient allemaal onderzocht en in kaart gebracht. En niet alleen daarom. Vandaag wordt hij vooral herinnerd om zijn continue streven voor – zoals hij en zijn VVP dat noemden – ‘het valoriseren van de Vlaamse meerderheid’, tégen federalisme ‘omdat het de Vlaminen definitief minder geeft dan het deel waarop de Vlamingen recht hebben in de Belgische staat.’ Ondermeer volgens Sinardet is dat valoriseren nu volop bezig. Maar zou het ook Claes’ toetssteen doorstaan? Claes verweet Vlaamse beweging en partijen immers de moed en de wil niet opgebracht te hebben, of nog: de fout gemaakt te hebben niet voor de morele en materiële impalming van België te kampen. Zou hij daar vandaag anders naar kijken? Het wordt stilaan tijd voor een biografie van Lode Claes …