Fidels tropisch totalitarisme

Fidel is dood. Leve Raúl. De eerste obituaria doen het ergste vermoeden. Over de dictatuur en haar doden op het paradijselijke Cuba weinig woorden. En dus slaan we er het Zwartboek van het communisme: Misdaden, terreur, onderdrukking (1997/1999) even op na om het palmares van El líder máximo op na te slaan. Want ja, ook Fidel had, in navolging van vele dictators een koosnaampje – vergelijk met Duce, Caudillo, Führer, Grote Roerganger, Broeder Leider, Conducator … Onderstaand stuk heeft weinig meer pretentie dan een samenvatting te zijn van het hoofdstuk Cuba: het oneindig lange tropische totalitarisme van Pascal Fontaine in hogervermeld Zwartboek.

Er waren Castro wel al twee dictators voorgegaan. Cuba is wat dat betreft slecht bedeeld. Gerardo Machado werd door een militaire putsch in 1933 opzij geschoven door Fulgencio Batista. Corruptie, speculatiezucht en wanverhouding tussen het misdeelde platteland en de steden en een militaire repressie tegen de versnipperde oppositie vormden de sociaaleconomische laag waar de politieke revolutie van Castro en co zich vanaf 1953 op entte. In januari 1959 vluchtte Batista het land uit. De guerilla had gewonnen. De weg lag nu vrij voor Castro. Maar de gruweldaden werden niet stopgezet.

Executies

Ongeveer 600 ‘partizanen’ – volgelingen van Batista – werden nog in januari geëxecuteerd. Schijnprocessen gingen hieraan vooraf, waar getuigen onder druk werden gezet om vooral te zwijgen. Zoals een duizendenkoppige menigte die in het sportpaleis samenkwam en op z’n Romeins – door met de duimen naar de grond te wijzen – commandant Blanco veroordeelde tot de dood.

Kort na de machtsovername door Castro, kwam hij al terug op zijn belofte om binnen anderhalf jaar na de putsch, democratische verkiezingen uit te schrijven. Hij was al opperbevelhebber geworden van het leger, en zette premier Miro Cardona af. Eén leider was duidelijk meer dan genoeg. En ‘Castro zette op deze wijze een situatie voort die de gevallen dictator had ingevoerd’. In een volgende stap schortte hij de Grondwet op. Voortaan regeerde Castro enkel per decreet. Pas in 1976 voerde hij een nieuwe Grondwet in, een kopie van die van de Sovjet-Unie. In de eerste rist decreten (nr. 53 en 54) beperkte hij het recht van burgers om zich vrij te verenigen. Kranten en tijdschriften werden opgedoekt, enkel het communistische blad Hoy bleef bestaan.

Oppositie

Het gemor onder de liberale en gematigde partners van het eerste uur nam toe toen Castro de vooropgestelde landbouwhervorming – grondverdeling om een middenklasse te doen ontstaan – met één pennenstreek werd geannuleerd. Het leger nam honderden landerijen over. Een nieuwe middenklasse was nergens voor nodig.

In de eerste twee jaar na de putsch dropen de ene na de andere liberale, ‘radicale’ en gematigde fellow traveler af. Ontgoocheld, of omdat de grond hen te heet werd onder de voeten, stopten politici en journalisten met hun mandaat of verlieten het land. In de herfst van 1960 werden de laatst overgebleven figuren van de politieke of militaire oppositie aangehouden. Circa 50.000 mensen die uit de middenklassen afkomstig waren en die de revolutie hadden ondersteund, verlieten het land. Daarmee kreeg de Cubaanse samenleving een zware klap te verwerken.

Ook de vakbonden werden vervolgens tegengewerkt en geïnfiltreerd door castristen. Vakbondsleiders werden gevangengenomen en gemarteld. Onder Castro was er maar plaats voor één vakbond, en daar kreeg hij dan nog van gedaan dat hij instemde met de afschaffing van het stakingsrecht – Zuhal Demir kan er alleen maar van dromen.

De kerk, aanvankelijk blij met de Castrorevolutie, klaagde de terechtstellingen en de infiltratie door communisten aan. Wat Castro prompt 131 priesters en geestelijken uit Cuba deed verbannen. ‘Om te overleven moest de kerk zich in zichzelf terugtrekken,’ een innere Emigration à la Jünger. 

‘De repressie raakte ook met volle kracht de artistieke wereld,’ schrijft Pascal Fontaine verder. Omdat er ‘buiten de revolutie niets’ kon zijn, werden kunstenaars gefnuikt in hun artistieke vrijheid. Ook hier pakten er velen hun biezen.

In de beginjaren troepten opposanten samen in een clandestiene verzetsbeweging die opereerde vanuit de bergen in Escambray. Rebellerende boeren werden onteigend en gedeporteerd naar tabaksplantages in het westen van het eiland. Wat restte van het amateuristische verzet, werd na vijf jaar hevige strijd overweldigd door het Cubaanse militaire apparaat. Meer dan 1000 kopstukken werden zonder vorm van proces geëxecuteerd.

Gelijkschakeling

In 1960 verloren de rechters hun onafzetbaarheid en vielen ze onder het gezag van de regering. Het laatste schijntje scheiding der machten behoorde tot het verleden. Er werden militaire rechtbanken ingericht die zich graag beriepen op het gebruik van de executiepaal.

Ook de universiteit werd gelijkgeschakeld. De kandidaat-voorzitter van de studentenfederatie Rolande Cubella werd veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Hij ging meerdere malen in hongerstaking uit protest tegen de onmenselijke behandeling. De laatste hongerstaking werd hem fataal: ‘De autoriteiten ontzegden zijn moeder het recht het lichaam van haar zoon te zien.’

De universiteiten werden – net als de kunstscène – ook ontdaan van homoseksuelen, die in kampen werden opgelosten om ze ‘herop te voeden’.

Ook economische vrijhandel en vrij initiatief werd bestreden door het Castrocommunisme. Volgens de grondwet ‘organiseert, leidt en controleert de overheid de economische activiteit’. Op gezette tijdstippen traden de overheden op tegen de vrije markten van de boeren.

Concentratiekampen

Een dictatuur is overigens maar een dictatuur als er ook een geheime politie is die iedereen van de norm afwijkt in de gaten kan houden. De Cubanen noemden de daartoe opgerichte DSE de ‘rode Gestapo’, al stond eigenlijk de Sovjetrussische KGB als model. De DSE hield alle overheidsambtenaren in de gaten, maar ook iedereen die zich inliet met sport of cultuur (schrijvers, cineasten …). Er was ook sectie die zich bezighield met economie, transport en communicatie. Meer dan 1000 agenten waren belast met telefoontaps en anderen controleerden de briefwisseling (er bestond geen briefgeheim), diplomaten en buitenlandse bezoekers.

Voor dat alles werden duizenden verklikkers gerecruteerd, zoals in de DDR. Zo was er in elke wijk een revolutionair wijkcomité dat deviante personen snel kon spotten. Resultaat: arrestatie van circa 100.000 mensen, in 1961 alleen al.

Een speciale ‘Dirección 5’ stond in voor de snelle eliminatie van opposanten. Maar niet alle opposanten werden vakkundig geëlimineerd. Velen kwamen terecht in de UMAP-kampen, ‘echte concentratiekampen, waar mensen van verschillende gezindheden bijeengebracht werden, souteneurs, homoseksuelen en alle figuren die 'potentieel gevaarlijk voor de maatschappij' werden beschouwd.’ De ‘sociaal afwijkende personen’ moesten hun eigen barakken bouwen en waren voorwerp van mishandelingen, ondervoeding en isolement.

Alsof dat allemaal niet genoeg was, werd in 1964 een dwangarbeidprogramma opgezet op het Isla de Pinos. Dwangarbeiders werden ingezet in de landbouw – vooral dan het kappen van suikerriet – of bij de marmerwinning in steengroeven. Wie uit de pas liep, moest gras snijden met de tanden of werd ondergedompeld in beerputten. De wachters vertoonden typisch machogedrag dat zo uit een Auschwitz-scenario kon komen: schijnexecuties, elektroshocks, waakhonden … Vrouwelijke gevangenen werden slachtoffer van alle mogelijke vormen van seksuele intimidatie en geweld.

Familieleden van gevangenen verloren hun werk bij de overheid, hun kinderen kregen geen toegang tot de universiteit.

Politieke gevangenen kwamen in cellen terecht die ‘broodroosters’ werden genoemd, naar de ondraaglijke hitte. Hun slaapritme werd er verstoord, medische hulp werd geweigerd, familieden werden afgedreigd.

Iedereen verdacht

In maart 1971 werd wet nr. 32 aangenomen, die iedereen potentieel verdacht maakte. Elke Cubaan kon ‘voortaan onder een willekeurig voorwendsel gearresteerd worden als de autoriteiten van mening waren dat hij een gevaar zou kunnen betekenen voor de staatsveiligheid, zelfs wanneer hij geen actie in die richting had ondernomen.’

In de jaren '60 alleen al zijn er 7000 à 10.000 mensen gefusilleerd. Het aantal politieke gevangenen in die jaren wordt op ca. 30.000 geschat. In 1978 waren er tussen de 15.000 tot 20.000 gewetensgevangenen. In 1986 telde men 12.000 à 15.000 politieke gevangenen, opgesloten in 50 gevangenissen.

Sinds 1959 weken talloze Cubanen uit. Ongeveer 20 procent van de Cubaanse burgers leeft vandaag in ballingschap – niet het minst in Florida. 2 van de 11 miljoen Cubanen wonen niet op het eiland waar ze geboren zijn. Daarbovenop hebben sindsdien meer dan 100.000 Cubanen de kampen en gevangenissen meegemaakt en zijn er 15.000 tot 17.000 mensen gefusilleerd.

Daarop aangesproken, liet Castro in 1994 weten dat hij ‘nog liever stierf dan de revolutie de rug toe te keren’. Vraag is hoe Raúl met die erfenis van zijn overleden broer zal omspringen.

 

Bron: Pascal Fontaine, 'Cuba: het oneindig lange tropische totalitarisme' in: Stéphane Courtois (red.), 'Zwartboek van het communisme. Misdaden, terreur, onderdrukking.' Arbeiderspers, 1999.