Tweelandenland

‘Er ist wieder da.’ De dag dat de verfilming van het cultboek van Timur Vermes in de Vlaamse bioscopen kwam, werd niet alleen Hitler opnieuw tot leven gewekt, maar ook een ander spook, dat de Belgische politiek altijd opnieuw wakker schudt en verlamt tegelijk. Het communautaire spook, de verdeeldheid van België, de tweedeling tussen Vlaanderen en Franstalig België. Geert Bourgeois, minister-president van de Vlaamse deelstaat, noemde zaterdag tijdens een nieuwjaarsreceptie België een ‘tweelandenland’. Dat een zetelend minister-president zo’n begrip hanteert, zegt veel over hem en zijn partij, die het communautaire spook loslaat over de Belgische politiek.


Vorige week schreef ik over de communautaire verschillen tussen de vakbonden in België. Vandaag zou ik het bijvoorbeeld kunnen hebben over de wapenleveringen aan Saudi-Arabië. Het Waalse staatsbedrijf FN Herstal leverde in 2014 maar liefst 400 miljoen euro vuurwapens aan het land dat het salafistische wahabisme ondersteund en verspreidt. De Vlaamse minister-president op zijn beurt, weigerde recent een levering van technologisch wapenmateriaal naar Saudi-Arabië. Ook dat zegt iets over de verschillen tussen noord en zuid: niet enkel syndicale acties zijn communautair, ook ethiek is dat in België.

Toen in het najaar van 2014 een federale (Belgische) regering in het zadel kwam met vooral Vlaamse partijen en één Franstalige – de liberale MR – werd het communautaire spook voor vijf jaar in de koelkast gestoken. Het was de eis van de Franstalige liberalen om een centrumrechtse – vooral Vlaams gekleurde – regering aan een meerderheid te helpen. In Vlaanderen is de grondstroom centrumrechts, in Wallonië is die links. Wil je een centrumrechts programma voeren als Belgische regering, is er maar één mogelijke partner in het Franstalige landsdeel, en dat is de liberale partij MR (Mouvement Réformateur).

Maar de grootste partij aan Vlaamse kant is de centrumrechtse Vlaams-nationale N-VA van Bart De Wever, Kamerlid, burgemeester van Antwerpen, partijvoorzitter en algemeen bestempeld als de schaduwpremier van het land. Als hij zijn mond opent, staan de media op de eerste rij om hem een megafoon aan te reiken. Dat stoort de andere Vlaamse partijen wel, maar ze laten het gebeuren. Bart De Wever komt nu eenmaal met alles weg, en wordt té breed gesteund bij de Vlaamse bevolking, om hem een pad in de korf te zetten.

Nu had die N-VA bij de regeringsvorming beloofd – net als de Vlaamse liberalen (Open Vld) en christendemocraten (CD&V) – om het communautaire spook netjes in de koelkast te laten en geen communautaire problemen op te blazen. Alleen was de natuurlijke achterban van de N-VA daar niet zo gelukkig mee. De Vlaamse Beweging – een verzamelnaam voor allerlei drukkingsorganisaties die het federale België verder willen ontmantelen ten voordele van de deelstaten – vond het stilaan welletjes. N-VA-ministers ondersteunen de Belgische staat, vooral doordat ze momenteel cruciale bevoegdheden bekleden: Binnenlandse Zaken (en dus politie en veiligheid), Defensie, Vluchtelingen en Asiel. Met de huidige politieke context – die in België niet anders is dan in Nederland – zeer belangrijke en erg zichtbare posten. En dus leek het alsof de N-VA aan het belgianiseren was, zoals de politicoloog Bart Maddens dat noemde.

De druk van die Vlaamse Beweging werd de jongste tijd blijkbaar te groot voor de N-VA om naast zich neer te leggen. En dus werd haar Kamerfractieleider Hendrik Vuye ontslaan van zijn taak zodat hij ruimte zou hebben om een ‘communautaire’ werkgroep te vormen. Die werkgroep zou bestaan uit mensen van de partij en daarbuiten, juristen, politicologen enzovoort, om een verdere defederalisering van België uit te werken. Meer zelfs: die werkgroep zou concreet het confederale model moeten uitwerken. Dat confederalisme is wat de N-VA beoogt met België: zowat alle bevoegdheden op Vlaams, Waals en Brussels niveau organiseren en de deelstaten onderling laten beslissen wat ze nog samen willen doen. Hoe je dat juridisch aanpakt en politiek voorbereidt, dat moet Hendrik Vuye coördineren, samen met zijn collega Veerle Wouters.

De Vlaamse partijen haalden de schouders op. ‘Ze doen maar,’ was daar de boodschap ‘maar in het regeerakkoord is geen sprake van volgende stappen in de staatshervorming’. Bij de Franstalige liberalen reageerde men zenuwachtiger. Als de N-VA in 2019 naar de verkiezingen gaat met een radicaal communautair programma, dan dreigt die partij in Wallonië afgeschilderd te worden als het schoothondje van de Vlaams-nationalisten.

Nu gebeurde dat laatste al bij de regeringsvorming in het najaar van 2014. Het verschil is dus niet zo groot. Het duidt wel waar het in 2019 om zal draaien. Niet de Europese Unie zal de inzet worden van de federale verkiezingen, en misschien ook niet de vluchtelingen, maar wel de verdere evolutie van het Belgische staatsmodel. Niet dat alle Vlamingen morgen de onafhankelijkheid willen uitroepen, maar wie een efficiënte en werkzame staat wil, moét wel verder bevoegdheden overhevelen naar de deelstaten. Dat lijkt nu eenmaal een niet te weerleggen wetmatigheid in dit land.