De boekenkast van Eric Defoort. 'Ik ben verslaafd aan weemoed.'

Weinig Vlaams-nationalisme, in Eric Defoorts leeslijst. Veel Franse auteurs. Kastenvol weemoed vooral.

Ik ga met Eric Defoort in een leeskamertje zitten. Drie muren vol boeken tot tegen het plafond. Maar nu ook niet zó veel boeken, merk ik op. ‘Dit is de bibliotheek beneden,’ haast Defoort zich om te zeggen, ‘er staat boven veel meer’. Een structuur merk ik niet meteen in zijn kasten. Er zijn wel wat thematische planken – waaronder een paar planken Defoortiana, boeken van en over familieleden; broer Jos, zoon Hendrik, nicht Carine … – maar ‘het staat allemaal door elkaar, want dit huizeke is klein’. Over de grootte van zijn Wondelgemse woonst is Defoort bescheiden. Het is het laatste moment in het interview. Hij bloeit volledig open als hij kan vertellen, zoals hij vroeger ook doceerde: associatief aaneenrijgen van anekdotes. En volg dan maar, als student, of interviewer. 

Eric Defoort

Vooraf bezorgde Defoort een lijstje boeken dat bepalend is geweest voor zijn dichten en denken. Zoals het een historicus past, heeft Defoort ook een AGN in zijn kast staan, een Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 15 kloeke delen. Die pakt hij nog wel eens vast ‘vooral voor middeleeuwse dingen, omdat ik daar niet veel van ken.’

 

A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme

Hoewel Defoort bekend stond als een linkse flamingant, is zijn boekenkeuze eerder conservatief, met een hang naar het oude, voorbije Europa en allesbehalve Vlaams-nationaal getint. Of het is Arie Wouter Willemsen met zijn Het Vlaams-nationalisme. Opvallend weinig voor een oud-ondervoorzitter van zowel de Volksunie als de N-VA. 

‘Ik heb het uitgegeven boek gekozen, maar ik heb destijds nog het doctoraat zelf gehad. Dat zat in een grijze kaft, en ik heb dat gekregen van een advocaat uit Ieper, Camerlynck. Ik was goed bevriend met zijn oudste zoon Joris. Voor mij was dat een kennismaking met iets dat ik niet kende. Ik was een flamingantje van KSA-niveau: Alles Voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus, maar onder toezicht van proosten. Die Christus verdween vrij snel tijdens mijn adolescentenperiode, maar dat AVV maakte mij enthousiast. Maar ik kende niets, maar dan ook niéts van Vlaams-nationalisme. Ik kom uit een wit nest.’

Impliceer je nu dat in de jaren 1950 Vlaams-nationalisme in en om Ieper, de stad van jouw jeugd, ‘zwart’ was?

‘In de jaren 1950, de opkomende Volksunie (gesticht in 1954, KDr.) en wie daar toen propaganda voor maakte kwam vaak uit een zwart nest. Ik ben politiek ontwaakt in 1956.’

Het Rodenbachjaar!

‘Ook, maar vooral Hongarije. Imre Nagy, kardinaal Mindszenty, Pal Maleter … Ik knipte Maleters uit uit De Standaard, en ik hing dat boven mijn bed. Er werden omhalingen gedaan. Ik was toen dertien jaar. Een halve eeuw na de gebeurtenissen ben ik terug geweest naar Boedapest, om alles terug te zien. Zoals het graf van Nagy en Maleter. Ik heb dat nog gedaan met de studenten …’

Ja, ich war dabei. In november 1993. In de sneeuw …

‘Ik heb daar heel veel boeken over staan.’

Dan moet je zeker het nieuwe boek van Chris Ceustermans lezen, Koude Oorlogsdromen. Hongarije en 1956 speelt daar een rol in.

‘In de poësis, ik ga dat nooit vergeten, ontleende ik nogal wat boeken die niet uit de bibliotheek van het college kwamen. Je moest daarvoor toelating vragen door een briefje in te vullen met de tekst “Eerwaarde Heer, ik begeer te lezen”. Dat was zowat de enige begeerte die je mocht hebben. Wij adolescenten zaten toen vol begeertes, en die van de geest werd dan nog gecontroleerd. (lacht) In 1958 of ’59 heb ik dat boek van Willemsen gelezen.’

‘Ik was een kind uit de middenklasse. Was ik een kind geweest uit de arbeidersklasse, zou ik wellicht kajotter geweest zijn, en gedweept hebben met de geschriften van kardinaal Cardijn.’

A.W. Willemsen was in feite de eerste naoorlogse historicus die het Vlaams-nationalisme bestudeerde. Een Nederlander, een leerling van Geyl. Defoort werd hier geconfronteerd met een voor hem ‘heroïsch verhaal’. ‘Ik was aan Christus en Vlaanderen trouw, als KSA’er, maar ik wist niets van Vlaams-nationalisme. Ik herinner me mijn pianolerares die uitpakte met de slogan “Elias vrij!”. Ik wist niet wie Elias was. En ik kende enkel de profeet Elias uit het Oude Testament. In mijn puberteit werd ik antiklerikaal.. Door Willemsen te lezen zie je dat de kerkelijke hiërarchie tegen de Vlaamse Beweging was.’

Is daar ook de historicus in jou ontstaan?

‘Neen, dat had ik al heel jong. Op zondag reed mijn vader met ons rond. En in de abdij Ter Duinen had je de opgravingen. Ik zag die kisten met geraamten van monniken. Ik heb toen nog een stukje van zo’n kist mee naar huis genomen. Dat was een historische sensatie! Ik was zot van geschiedenis.’

Na Willemsen heb je Lode Wils, die als eerste naoorlogse Vlaming het Vlaams-nationalisme bestudeert. Wils is een belangrijk figuur in jouw leven, toch kies je geen werk van hem uit.

‘Je hebt ook De geschiedenis van het Vlaams-nationalisme en De Vlaamse gedachte van Elias. Ik heb een grote Vlaamse bibliotheek boven staan, maar ik lees dat niet meer. Aubert van de UCL was eigenlijk mijn leermeester, niet Lode Wils. Maar Lode (Wils) heeft mij leren schrijven. Hij was mijn leermeester voor de historische methodologie. Hij kon te keer gaan als ik hem hoofdstukjes van mijn doctoraatsthesis gaf. Je moet niet alles vertellen wat je weet, je moet samenvatten, heb ik van hem geleerd. Maar na de eerste uitgave van zijn Flamenpolitik en Aktivisme – ik was toen aan het doctoreren – maakten wij vaak gezellig ruzie! “Het Vlaams-nationalisme is een kind voortgekomen door een verkrachting van een Vlaamse maagd door een Duitse Feldwebel in een door Gerretson gerunde Rotterdamse kroeg”, was zo’n typische uitspraak van hem. Hij heeft natuurlijk gelijk dat het Vlaams-nationalisme begonnen is in het Activisme.’

Jaren later, in 1995, toont Marc Reynebeau aan dat het Vlaams-nationalisme een product is van zowel een Belgische staat als van een gefrustreerde Vlaamse middenklasse. Daar schreef jij toen het antwoord Het klauwen van de historicus op. Een grote ontgoocheling voor de Vlaamsgezinde lezer, die hoopte op een antwoord op Reynebeaus veelbesproken Het klauwen van de leeuw.

(lacht) ‘De oorspronkelijke titel was Sfumato. Leo (Dehaes, de uitgever van Houtekiet) ging akkoord. Op de cover zie je mist. “Je moet de dingen niet tot helderheid slopen,” zei Hugo Claus. Ik heb er zelf schuld aan. Ik werkte toen mee met de werkgroep Vlaanderen Morgen van Hugo Schiltz. Hij heeft dat dan samen met Houtekiet uitgegeven. Hugo wou een andere titel. Maar het had Sfumato moeten blijven, omdat het een boekje was over historische methodologie.’

Het was uw feitelijke intrede in de partijpolitieke Vlaamse Beweging, dat boekje.

‘Ja en neen. Bij de voorstelling in de Ultieme Hallucinatie sprak (de filosoof) Sam IJsseling, de huisvriend van mijn broer (Jos). Andere historici, Jo Tollebeek, Luc Devoldere (nu hoofdredacteur van Ons Erfdeel) waren kwaad. Ze vonden het een omgevallen boekenkast.’

‘De Vlaamse Beweging is een maatschappelijk fenomeen zoals de arbeidersbeweging. Je kunt die maar bekijken als je je blik ruimer zet. Ik ga niet enkel Pieter Jan Verstraete lezen.’

Met het risico te veel te relativeren, als historicus?

‘Je moét relativeren. Met wat je relativeert kun je veel beter omgaan. Willem van Oranje heeft dat zelfs al gezegd. Maar hij wordt dan calvinist omdat hij geen andere keuze meer heeft.’

Is geschiedschrijving zoals die van Willemsen vandaag nog mogelijk?

‘Lode Wils maakte zulke dingen, zoals zijn reeks over Frans Van Cauwelaert, of zijn recente aangevulde en heruitgegeven Flamenpolitik als Onverfranst, onverduitst. Maar er zit geen evolutie in wat hij schrijft, hij actualiseert enkel. Dat is zijn karakter. Lodes visie is meer een engagement. Mij interesseert het echter niet of het katholieken waren of vrijzinnigen … maar voor Lode is dat zeer belangrijk. Ik wil enkel kennis nemen van de feiten. Ik heb geen militante houding in wat ik bestudeerde of beschreef.’

Nochtans is Wils toch de eerste die op een nuchtere manier met de geschiedenis van het politieke Vlaams-nationalisme omgaat, ook al vanuit een sterk katholiek-Belgisch engagement. Hij neemt afstand, maar wel met het getrokken zwaard.

‘Maar Wils is nooit opportunist geweest. Hij heeft op zijn kop gekregen van katholieken, vrijzinnigen, Vlaams-nationalisten … De Meetingpartij heeft hij ook bestudeerd. En die vind ik veel boeiender.’

Boeiender omdat er na hem in feite niemand nog die partij heeft bestudeerd?

‘Zeer raar, toch? Maar dat is een probleem met de historiografie in Vlaanderen. Ofwel is het Vlaamse Beweging ofwel sociaaldemocratie die bestudeerd worden: arbeidersbeweging – zoals mijn zoon Hendrik – of collaboratie – zoals Bruno De Wever. De Wever zei dan dat je in het collaborerende VNV het ware gelaat van het Vlaams-nationalisme zag. Maar wat is dat gelaat? Als kind had ik een gelaat, en dan als adolescent, en toen ik aan de universiteit zat had ik een ander gelaat. 

Dat klinkt heel postmodern.

‘Dat heb ik van Sam IJsseling, een goede vriend van mijn broer Jos. We gingen zelfs samen met vakantie. Richard Rorty en zo, dat zit allemaal in Het klauwen van de historicus. Ik had geen filosofische achtergrond. Ik heb die via IJsseling en Jos gekregen. Het gaat om deconstructie: het laten zien hoe waarheid tot stand komt.’

En hoe er meerdere waarheden zijn.

‘Juist. En dat wordt zeer kwalijk genomen. Ik ben daar zwaar op aangepakt door Marc Reynebeau.’

 

Alain Finkielkraut, Le mécontemporain

Je hebt dan wel geen filosofische achtergrond, maar in je boekenselectie voor dit interview zit wel heel veel filosofie.

‘Ik was daarvan zwaar onder de indruk. Ik kreeg van Finkielkraut een filosofische motivering om communautair te zijn. Niet in de enge zin van het woord, de taalwetten en de faciliteiten en zo. In Finkielkraut zit veel Charles Péguy, daar heb ik ook veel van in mijn bibliotheek. Péguy verbond een engagement voor de gemeenschap met erg socialistische klanken, gekoppeld aan een mystiek. Hij wou niet investeren in een Gesellschaft, maar in een Gemeinschaft. Je ziet in Le mécontemporain dat Finkielkraut dat oppikt. Via die weg …’

Is het in dat boek dat Finkielkraut van links is overgestoken naar rechts?

‘Hij zou razend zijn als hij je dat hoort zeggen! Hij is altijd communautarist geweest. Ik spring naar de N-VA. Toen we met de partij kozen voor de eurokritische fractie ECR, zei Annemie Neyts me “zie je wel, die Vlaams-nationalisten zijn geen liberalen”. Verhofstadt wou ons nochtans in zijn ALDE-fractie. Natuurlijk zijn wij geen liberalen, dat is toch evident!? Wij zijn communautairen. Wij zijn voor de gemeenschap. Een individu is geen afgeleide van een gemeenschap. Hij zit in een gemeenschap maar is niet opgesloten in die gemeenschap.’ 

‘Michel Onfray zit nu ook op die lijn. Onlangs kreeg hij vanuit linkse hoek de vraag “Mr. Onfray, c’est quoi, le peuple?” Waarop hij antwoordde: “Mais c’est typique que vous ne savez plus ce que c’est, le peuple”. 

Dat is natuurlijk geen antwoord op de vraag wat een volk is.

‘Je moet niet alles willen definiëren. Je moet niet alles tot helderheid willen slopen. Sfumato! Lees Alain Ehrenberg, een linkse socioloog, Dépression et société: la fatigue d’être soi. Dan merk je dat natie en volk en zo functies zijn en geen finaliteit. Bij veel Vlaams-nationalisten is dat volk een finaliteit.’

Daarom maakt dat ook deel uit van hun existentie. Je moet toch opletten dat je hen dat niet zomaar afneemt.

(Defoort loopt naar zijn kast en neemt er enkele boeken van Finkielkraut uit.) ‘L’imparfait du présentbestaat uit dagboekfragmenten …’

Waarin Finkielkraut zijn bewondering voor Heidegger niet onder stoelen of banken steekt. Heidegger die zich met zijn Schwarze Hefte wel heel zwaar heeft verbrand aan het antisemitische nationaalsocialisme.

‘Bij Heidegger zie je hoe dat je moet opletten voor filosofen, hoe je moet opletten voor professerkes die aan politiek doen, hoe je moet opletten voor literatoren die aan politiek doen.’

‘Wat onderstreepte ik dertien jaar geleden in Finkielkraut? “Avoir l’esprit politique, disait Hannah Arendt, c’est prendre un plus grand soin du monde qui est là avant que nous aparaissions.”’

In de traditie staan dus.

‘In het verhaal staan, de traditie.’

‘Je voelt dat aan Bart De Wever. Die wil een rendez-vous met de geschiedenis hebben door zijn politiek, en niet door zijn functietjes. Een beetje het burgemeesterschap, dat is emotioneel, en eigenlijk ook een rendez-vous. Hij eist zich een plaats op in het grote verhaal van zijn gemeenschap, met een verleden en een toekomst.’

Ondertussen is Finkielkraut vooral een cultuurpessimist. Herken je je daarin?

‘Neen, ik ben niet zo pessimistisch. Als ik naar mijn kleinkinderen kijk, zie ik ze allemaal voor hun scherm, maar ze lezen ook veel boeken. Mijn zoon krijgt al mijn boeken, ook al weet ik niet waar hij ze gaat zetten, nu goed, in zijn zolder ligt er al een chape …’

‘Ik ben geen pessimist. Hoogstens un pessimiste joyeux. De meesten vinden mij nogal vrolijk. Maar dat bedriegt.’

Je hebt toch ook iets donkers.

‘Ja, maar het is geen nostalgie. Ik ben verslaafd aan weemoed, en weemoed is niet precies.’

Finkielkraut valt in datzelfde boekje de Belgische genocidewetgeving aan omdat de Belgische politiek daar heeft gekozen voor een ‘dictatuur’ van één moraal die geen afwijkingen toelaat. Is dat niet wat Franse intellectuelen voor hebben op de Vlaamse? In Frankrijk is een post-postmoderne discussie mogelijk, los van de politieke correctheid.

‘Je moet dat overlaten aan historici. Politici moeten zich heel behoedzaam opstellen als het daarover gaat.’ 

Nochtans was jouw N-VA de grote gangmaker in de Kamer voor wetgeving over de Armeense genocide.

‘Niet alles wat de N-VA doet is heilig. Het is trouwens niet “mijn” partij. Ik blijf een bewonderaar van Mitterand: “Je ne suis pas l’homme d’un parti, je suis l’homme d’un combat à travers un parti”. Ik ben geen partijstier. Ik krijg het benauwd.’

En dat voor een medeoprichter van de N-VA?!

‘Tja, ik weet niet of ik in het stemhokje in een zelfstandig Vlaanderen altijd zomaar dezelfde vrienden van nu zal tegenkomen in het stemhokje. Ik méén dat.’

 

Régis Debray, Éloge des frontières

Over naar een Franse denker die van extreemlinks kwam. Régis Debray dweepte met Che Guevara en Salvador Allende om dan bij Mitterand en centrumrechts te eindigen. Het lijkt me nogal typisch dat je figuren kiest die van links naar rechts zijn geëvolueerd. Herken je dat ook bij jezelf?

‘In welke richting het ook gaat, er is zoiets als voortschrijdend inzicht. Het is niet The Portrait of Dorian Gray van Oscar Wilde. Een mens verandert. Zoals Mitterand het zei: “On ne tourne pas le dos à ce qu’on était, on change, c’est tout.” Er zijn wel Vlaams-nationalisten die nog in de tijd van de epuratie leven. Maar mijn politieke overtuiging is in niets terug te brengen tot die gebeurtenissen die zich gedurende vier jaar afspeelden in de eerste helft van de vorige eeuw. Hallucinant, dat sommigen daar nog mee bezig zijn.’

De vraag ging over de verschuiving …

‘Ik denk niet dat ik die auteurs heb gekozen om mijn eigen Werdegang te motiveren. Nu ik ouder ben merk ik dat men altijd veel minder origineel is dan men denkt of zichzelf voorhoudt. En wij zijn allemaal – ook de grote geesten – mede van onze tijd. Vroeger, in de post-68-periode, gebruikte iedereen het begrip aliënatie. Maar dat is vandaag volledig verdwenen. Zoals er ook geen kwik meer in de vissen zit. Je bent een deel, je doet dingen met wat je ondergaat.’

Defoort maakt een bruggetje naar Bart De Wever. Die kreeg kort nadat dit interview werd afgenomen een groot interview over macht in De Morgen. De krant polste Defoort vooraf naar zijn ervaringen met zijn voorzitter.

‘Ik maak altijd een onderscheid tussen un politicien en un homme politique. Bart is un homme politique. Een politicien is bezig met zijn carrière. Un homme politique heeft een rendez-vous met de geschiedenis.’

Dan hebben we in de naoorlogse politieke geschiedenis van België toch niet veel hommes politiques gehad …

‘Zeer weinig, inderdaad, zeer weinig. Wilfried Martens was wel zo iemand, toen hij in zijn jonge jaren het federalisme in de CVP binnenbracht. In een van de laatste gesprekken die ik met hem had, heb ik hem dat ook gezegd.’

Heeft een volk niet de leiders dat het verdient? Een natie van kruideniers?

‘Hugo Schiltz kon daar zo over treuren. Rik Van Cauwelaert weet dat ik wel vaker dat beeld gebruik van die kruideniers. Depuis que les épiciers montent à cheval, ils se prennent pour des husards. Dat komt van François Nourissier, die las ik vroeger veel.’

Lode Claes zou instemmend geknikt hebben.

‘Dat zou me niet verbazen. Vlaanderen is plein d’épiciers.’

‘’t Is mijn volk, ik heb er geen ander,’ zei Schiltz.

‘Inderdaad.’

Terug naar Debray. Waar moet je die nu plaatsen? In de stal van Chévènement, de linkse, laïcistische republikeinse euroscepticus? 

‘Ja. Dat is ook mijn positie. Ik heb zo’n treurnis gehad, maar ik heb ze niet meer: Het Sienjaal. Met Maurits Coppieters en Norbert De Batselier. Coppieters was te veel missionaris. Norbert heeft niet durven doorduwen binnen de SP. Ik droomde van een grote Vlaamsgezinde linkse partij. Je had wel Vlaamsgezinde christendemocraten en liberalen, maar geen sociaaldemocraten.’

 

Thomas Mann, De toverberg

Het valt wel op dat je bibliotheek en je denken erg Frans is. 

‘En Duits. Ik lees ook veel Duits. Maar het gros van mijn leven is Frans. Ik heb een immens gat in mijn cultuur dat is de Angelsaksische wereld, die is bijna non existent.’

‘Thomas Mann vind ik een van de grootste! The Buddenbrooks is een mooie familiekroniek, maar De Toverberg is groter. Ik heb die eerst in het Frans gelezen, later pas in het Duits. Duitsland is een land dat mij geweldig is gaan boeien, vooral door zijn diversiteit.’

‘De historicus heeft maar één instrument,en dat is de taal om iets te beschrijven, om een sfeer te schetsen, om de feiten in context te plaatsen. En dat kan je leren bij grote fictieschrijvers. Ik heb altijd veel fictie gelezen. Zoals Claudio Magris, daar heb ik ook alles van, De Donau, Triëste …over het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk.’’

Josef Roth heb je ook uitgekozen, die heeft het ook over de Dubbelmonarchie. Maar terug naar Mann.

‘De sfeer van De toverberg! Het is een boek van sfeer, een sfeer van ondergang. Het is één sfeer van een soort weemoed, van het begin tot het einde.’

En we zijn weer bij het cultuurpessimisme van Finkielkraut.

‘Maar het gaat verder, de wereld waarop wij zijn verschenen en die zal voortduren ook als wij er zijn verdwenen. Daarover gaat het.’ 

Weemoed.

‘Ik ben dól op dat Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk.’

Toch wel apart. Jij hebt dat, Benno Barnard, Luc Devoldere, Rik Van Cauwelaert. Wat motiveert intellectuelen van een zekere leeftijd om te dwepen met Oostenrijk-Hongarije?

‘Joseph Roth heeft dat goed beschreven. Het gaat om een tijd toen de dingen nog langzaam groeiden en ook zeer veel tijd nodig hadden om te verdwijnen. Terwijl we nu de deugd hebben ontwikkeld om snel te vergeten. 

Welk droombeeld heb je van die Dubbelmonarchie?

‘Het is geen droombeeld. Bij Benno misschien wel, die zich richt tegen de Kleinstaaterei. Keizer Franz Joseph richtte zich vanuit zijn Hofburg tot zijn Völker. Albert II heeft dat ook eens gedaan, ik moest daar zo mee lachen …’

‘Wenen, Budapest … ik ben er al zo vaak geweest …’

Nostalgie? Kan moeilijk, want je hebt het niet meer meegemaakt.

`Dat soort werelden scheiden een soort weemoed af. Ik weet het niet.’

Angst voor technologie? Vloeibare waarden?

‘Conservatisme is niet iets dat tegen verandering is. Het basisprincipe is voorzichtig en bedachtzaam met de veranderingen omgaan.’

Overigens is ook Joseph Roth opgeschoven van links naar stevig rechts. Ik moet trouwens zijn Radetzkymars lezen van Rik Van Cauwelaert.

‘Ja! (Defoort klapt enthousiast in zijn handen.) Zegt hij dat ook? Da’s raar, toch. Maar wat is de verklaring? Ik heb dat zelf nooit eerder ingezien.’

‘In De Radetzskymars zelf zit denk ik het antwoord op jouw vraag. In een programma op de VRT in 2006 werd mij de vraag gesteld wat een mens moét lezen. En ik antwoordde toen: “De Duitstalige romancier Joseph Roth stamt uit Galicië, een deel van het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk, dat thans tot het westen van Oekraïne behoort. Zoals zovelen ontvlucht hij Duitsland in 1933. Hij overlijdt in 1939 in Parijs op de leeftijd van 45 jaar. (…) Zijn roman Radetzskymars verscheen voor het eerst in 1932. Hij start in 1859 en eindigt met de dood van keizer Frans Joseph in 1916. Roth dompelt de lezer onder in een wereld die even langzaam als onherroepelijk vergaat.” Maar waarschijnlijk is dat de menselijke existentie voor wat betreft het individu. Maar de natie is een van de wegen via dewelke – je ziet dat bij Finkielkraut – je de wereld voor je en na je kent.’

Dat is wel héél ‘diep’ conservatief, in de ware zin van het woord. Jezelf bewust plaatsen in een samenleving van doden, levenden en mensen die nog moeten geboren worden. Je erft de aarde niet van je ouders, je leent ze van je kinderen.

‘Het woord conservatisme is zó beladen. Maar ik volg je wel. Volkeren vergaan, ik heb dat in veel toespraken gebruikt. “De tijd verslindt de steden, geen tronen blijven staan, de legerbenden sneven, een volk zal nooit vergaan.” Maar volkeren vergaan ook, ze komen op en verdwijnen. Het Palestijnse volk is maar in de 20e eeuw ontstaan, zelfs uitgevonden. Vlaanderen, maar ook Europa. Napoleon heeft er van gedroomd, en Hitler.’

‘Joseph Roth is een meesterlijke sfeerschepper en bij hem werkt weemoed verslavend. Ik kan niet weerstaan aan een auteur als Roth die schrijft “zo was het toen, alles wat groeide had veel tijd nodig om te groeien en alles wat onderging had lange tijd nodig om vergeten te worden. En alles wat eens was geweest had zijn sporen achtergelaten en we leefden toen van herinneringen zoals men nu leeft van de vaardigheid om snel en nadrukkelijk te vergeten”.’

‘Er zit een stuk remedie in tegen de menselijke arrogantie. De mens is nogal arrogant uit de Verlichting gekomen. Maar leve de Verlichting!’

 

Georgio Bassani, De tuin van de Finzi-Contini’s

Over naar Italië en naar een boek dat over het opkomende fascisme gaat. Zijn we meteen bij een thema uitgekomen dat aansluit bij je doctoraat.

‘Je vergist je, dat is in Moravia’s Il conformista. In De tuin gaat het om Joden die worden opgepakt in 1943. Ze leven nogal op hun eigen, op een ommuurd terrein. De verteller kruipt als jongen over de muur. Ik heb dat in Franse vertaling gelezen. Heel het werk van Bassani is nochtans vertaald naar het Nederlands. Als Rik Van Cauwelaert zegt dat je de Radetzkymars moet lezen, heeft hij wreed gelijk, maar je moet ook Bassani lezen.’

Toch wel opvallend dat je geen boek hebt geselecteerd uit je lectuurstudie voor je doctoraat over Charles Maurras, waar je toch veel jaren van je leven aan hebt besteed.

‘Eén titel van Charles Maurras dan. Maurras was een reactionair. Géén fascist, wat journalisten ook zeggen, “Il a fait le berceau du fascisme”, maar als dat zo is, dan heeft hij zeker en vast de baby die men in die wieg heeft gelegd niet herkend. Hij is reactionair. Dat is fundamenteel verschillend van het modernistische en futuristische fascisme dat continu het volk symboliseert. Maurras heeft met het volk niét te maken, hij staat daar boven. John Bartier heeft zich altijd verbaasd dat ik als flamingant over Maurras wou werken. Ik ben met Bartier bevriend geraakt. Hij leerde me dat Maurras intellectuele constructies maakte. Hij gaf teksten van Maurras aan de ULB.’

‘Maurras’ ideeën en constructies zouden maar werkbaar zijn mocht de politiek zich aanpassen aan zijn ideeën. Omgekeerd niet. Je kunt met Maurras niet veel concreets doen. Behalve toen hij zich begon te verwijderen van de politiek. Toen schreef hij L’avenir de l’intelligence. Een essay waarin hij zich afvraagt: “wat is de essentie van een intellectueel?”. Dat is een universeel iets. Een intellectueel moet zich vooral nooit bezighouden met geld of met werken. En hij mag ook nooit toegeven op zijn ideeën. Het materiële moet wel verzekerd zijn, maar het moet niet veel zijn. Geld is gemunte vrijheid. Je moet je in een situatie trachten te wringen dat je vrij bent. Maar je moet niet rijk zijn.’

 

Mustread

Als er één van de besproken boeken is dat iedereen zou moeten gelezen hebben, is het Éloge des frontières van Régis Debray. ‘De grenzen … Mensen denken dan dat ze opgesloten zijn. De grens tussen België en Frankrijk, dat is meer dan enkel iets praktisch. “Des frontières reconnues sont le meilleur vaccin possible contre l’épidémie des mûrs.” In Israël zie je dat. Israël erkent geen grens. Voor Golda Meir was Israël overal waar er Joden wonen. En dus niet enkel binnen de grenzen van 1948. Het mooiste voorbeeld hier is BHV, met alle juridisch geknoei. De inwoners van Sint-Genesius-Rode, of hij nu Frans praat of Russisch, ce sont mes concitoyens flamands.’

 ‘Je moet vooral lezen wat je plezier en genot geeft.’ Aan de universiteit had Defoort het steevast over ‘passie’; wat je doet moet je met passie doen. Zoals Victor Hugo zegt: “ce qui me ne passionne pas, m’ennuie”. Geldt ook voor lectuur, vraag ik hem nog. ‘Ah ja, natuurlijk!’ roept hij, ‘je moet lezen wat je passioneert!’

‘Ik ben niet de priester op de preekstoel die zegt wat zijn beminde gelovigen moeten lezen, neen. Maar laat u niet te veel door het circus binnen de literaire bijlagen van de kranten opjagen. Ze zijn niet mis, ze zijn de beste onderdelen van De Morgen en De Standaard. Daar zit een openheid in, ook naar veel buitenlandse literatuur. Ik vind dat zeer goed. Maar ik ga niet zeggen wat je moét lezen.’