Rik Van Cauwelaert: 'Je moet alles lezen!'

19de-eeuwse boeken, veel eerste drukken en veel conservatieve auteurs. De bibliotheek van Rik Van Cauwelaert leest haast als zijn biografie.

De zitkamer annex bibliotheek wordt overheerst door een tafel vol recente boeken en een indrukwekkende kast - gekocht van een antiquaar - vol oude boeken. Daarin bibliofiele stukken, maar ook curiosa. ‘Maar dan in de ware betekenis van het woord, want voor een Franstalige collectioneur betekent dat “erotica”.’ In die kast de verzamelstukken van Rik Van Cauwelaert, jarenlang Knack-journalist en sinds kort columnist van De Tijd.

Van Cauwelaert opent de kast. Met grote zorg verplaatst hij enkele stapels. ‘Ik ga er een tonen. Wij zijn het enige land waar de grondwet op vers is gezet. De fameuze Felix Coveliers heeft dat gedaan, dat was de vertaler naar het Frans van Hendrik Conscience. Hij geeft het eerst in versvorm, en achteraan drukken ze de echte tekst van de grondwet, maar met de Franse kleuren.’ In 1885 voor de wereldtentoonstelling in Antwerpen. Een waar curiosum. Rik grijpt opnieuw naar een kleinood uit zijn tekst. ‘Dit is iets eigenaardigs. Dit is de échte grondwet.’ Het is een klein boekje dat dateert van voor 1831, het is een ‘projet’. ‘Het is de aanloop tot de grondwet. Met handgeschreven notities. Dat moet zijn van iemand van de Commissie, schrappingen en aanvullingen. Ik heb het zelf laten inbinden, want ik heb het als een wrak gevonden op een markt. Ik maak mezelf wijs dat het van Jean-Baptiste Nothomb is. Een mooi stuk.

Van Cauwelaert heeft zo’n grote kast vol, de privécollectie Rik Van Cauwelaert. Hij haalt bescheiden zijn schouders op. Wil meer vertellen over de curiosa in zijn verzameling. De Code Napoléon in versvorm bijvoorbeeld uit 1811. Dat is net als die Belgische grondwet op rijm gezet, ‘maar dat is gedaan om het uit het hoofd te leren’. Zoals de Catechismus. ‘De auteur blijft heel dicht bij de originele tekst.’.

De kast zit vol met zulke eigenaardigheden. Veel belgicana. ‘Vooral dingen die ik niet kan laten liggen.’ Mijn oog valt op een catechismus, waar we het net over hadden. ‘Maar da’s wel een speciale catechismus …’ Ik zag het eerst niet. De ‘catechismus van een rationalist’. Ik blader erin. ‘Het boekje past in de strijd tussen katholieken en liberalen.’ Ik lees hardop: ‘Is Jezus Christus ten hemel geboren? (antwoord) Het is mogelijk dat hij met eenen godaart van dien tijd ook een luchtreisje hebbe ondernomen.’

Links in de kast grijpt Van Cauwelaert naar wat hij ‘het begin van veel’ noemt: de memoires van prins Charles-Joseph de Ligne. Hij heeft toch maar een van de eerste in extenso uitgegeven exemplaren.’ ‘Een ongelooflijk werk. Die figuur van prins De Ligne zegt weinig in Vlaanderen.’ De boekenliefhebber grijpt naar een boek van ‘Von Reiffenberg, bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek, later beschuldigd van plagiaat. Hij komt ook uit Henegouwen, uit de buurt van Belœil. Hij schreef een Noticeover prins De Ligne.’ En dan haalt hij de memoires van De Ligne uit de kast, uitgegeven met goud op snee. ‘Leuk’ noemt Van Cauwelaert dat verzameld werk, dat is voorzien van een opdracht van Eugène de Ligne, de latere Senaatsvoorzitter en kleinzoon van Charles-Joseph, aan een Engelse bezoeker.

Vanwaar zijn fascinatie voor de prins de Ligne? vraag ik. ‘Door het lezen van zijn memoires. Omdat die man geconnecteerd was met iedereen in zijn tijd, de tweede helft van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende.’ De latere kandidaat-koning voor België? vraag ik nog. Maar dat is een andere telg van dezelfde familie. Het gaat om ‘een achttiende-eeuwse figuur die te paard zit op het ancien régime en de postrevolutionaire periode en die ook ziet waar het naartoe gaat met de Franse Revolutie: dit gaat in een ongelooflijke moordpartij eindigen. Maar hij reist ongelooflijk over en weer tussen Wenen, Belœil, Praag, Brussel, Warschau, noem het maar, hij was overal. Hij is een polygraaf, schrijft brieven tegen de sterren op. En op zeker ogenblik is hij in Wenen, op het Congres van Wenen namelijk, waar hij in feite op zijn dood zit te wachten want hij sterft in 1814. Hij dicteert en schrijft zijn memoires. Daar bestaan verschillende versies van, in verschillende stijlen. Hij heeft iedereen gekend, van Casanova tot Voltaire.’ Maar wat interesseert hem dan in die figuur? ‘Twee zaken. Dat hij op dat scharnier zit van het ancien régime en de moderne periode, en dat hij het oog heeft van de journalist. Hij schrijft verhalen en anekdotes, heel journalistiek, maar om iemand te tekenen.’

Onderaan in de kast zit een andere tijdgenoot van De Ligne. Vijftien delen. De Correspondances littéraires van Grimm, die wel niets te maken heeft met de Grimms van de sprookjes. ‘Dat is eigenlijk een man die schrijft over alles wat in Europa verschijnt: theaterstukken, muziek, literatuur … in de achttiende eeuw. Heel die gistende Verlichting wordt door Grimm beschreven.’ Léés je zoiets? ‘Wel, dat is het belang van een index, je gaat raadplegen. En mijn bibliotheek is eigenlijk een naslagbibliotheek. Ik haat het naar de bibliotheek te gaan. Ik moet dat hier hebben.’ (lacht) 

In die kast vol heiligdommen zie ik ook enkele oude uitgaven van Johan Huizinga staan. ‘Ik ben een grote bewonderaar van Huizinga. Een historicus die kan schrijven. Ik weet wel dat er tegenwoordig nogal wat kritiek is op Huizinga, maar zijn Herfsttij der Middeleeuwen is ook een literair meesterwerk.’ 

Op mijn opmerking dat Huizinga wel erg conservatief was, reageert Rik: ‘Wat is conservatief? Ik verzet er mij bijvoorbeeld tegen dat men Edmund Burke een conservatief noemt.’ In zijn tijd was Burke inderdaad eerder een liberaal, een Whig, die voor de autonomie van Ierland en de VS was, tegen de slavenhandel … Maar hij was natuurlijk wel de eerste theoreticus die wat de Franse Revolutie betreft, de vinger op de wonde heeft gelegd. ‘Ja, en honderd procent gelijk heeft gehad. De Ligne zag dat ook gebeuren.’

Elke uitspraak over een boek leidt tot een ander boek. Rik zoekt boeken, ik verlekker me op de vele originele titels in de kast. Mijn oog valt op 'de Nederlandse kant van 1830', daar wil ik mij ook wel eens in verdiepen. Het verhaal van de oproer in Brussel heet het, uit 1831. ‘Dat is zeer interessant, want je krijgt natuurlijk een heel ander beeld.’

Dan grijpt hij naar ‘een kanjer van een stuk’: Rechten van de mens, of de aanval van de heer Burke op de Franse omwenteling beantwoord door Thomas Paine. Uitgegeven in 1791. ‘Dat is hetzelfde jaar als het origineel uitkomt in het Engels. En dan verscheen het in het Nederlands. En ik heb nog altijd niet kunnen achterhalen wie dat vertaald heeft. Of wie het gesponsord heeft. Want het is geen kleine uitgave.’

Dan tovert Rik nog een boek uit zijn kast van John Adams, de tweede president van de VS. Met handgeschreven notities. ‘Dat vind je niet onder elke boom.’ Het is hem vooral om die originele uitgaven te doen, bibliofilie. ‘Absoluut, geen bibliomanie, want dan zou mijn huis vol steken. Dat kan ik niet laten liggen, als ik dat zie, ben ik verloren. Vooral als er dan een handtekening of zoiets in staat.’

Ook Jules Destrée staat in de kast, zijn brief aan de koning van 1912, en het antwoord van Hyppolite Meert. ‘Het heeft jammer genoeg een beetje geleefd. Maar dat soort dingen kan ik ook niet laten liggen.’ Zoals een boekje over de exploitatie van de mijnen in Wallonië.’ Of iets opgedragen aan zijn grootoom over asielrecht in het Brabant van de achttiende eeuw. Naslagwerken over ‘alles wat ooit verboden is geweest’. En ook over L’enfer in Parijs, heeft hij boeken staan. ‘Buiten bereik van de kinderen.’ Een hele kast vol preciosa. Zo ook een prachtige uitgave van Gezelle, eveneens goud op snee, met het exlibris van Joris Helleputte. ‘Dat is nog altijd de meester, wat Benno Barnard ook zegt.’ ‘Helleputte heeft er veel zorg voor gedragen. Een echte bibliofiele uitgave.’

En dan toch de echte curiosa, of toch wat de Fransen curiosa noemen. De Parnasses satyriques met de dubbele pornografische frontispice van Félicien Rops. In Brussel gedrukt.’ In Rome, zie ik nochtans staan. ‘Dat zijn van die fictieve namen, zowel de naam van de drukker als van de plek.’ Het dateert uit de jaren 1860 als in Frankrijk de censuur welig tiert.

En in diezelfde kast staat dan ook Gerard Reve. Dick Matena’s graphic novel, een gesigneerd exemplaar. En daarom krijgt dat boek een plaats in die kast, ‘om niet beduimeld te geraken’. In diezelfde buurt: Prudens Van Duyse, met opdracht van Van Duyse aan Hendrik Conscience, gedateerd op 12 januari 1838. ‘Het boek dateert van vroeger, van 1832. Schitterend, niet?’ Het is een gedichtenbundel van Van Duyse, uit zijn Nederlandse periode.’

Maar wat moet je nu gelezen hebben van al die curiosa in die al even curieuze kast? ‘De prins de Ligne. Die moét je gelezen hebben. Als je die achttiende eeuw en de aanloop naar de Franse Revolutie wil begrijpen, moet dat.

Ook in de hall staat een grote boekenkast. Daarin veel Russen, de recent overleden Simon Leys, die in zijn eentje inging tegen het Maoïstische gedaas, veel Privédomein, Schopenhauer, en meer dan een meter De Tocqueville. En opnieuw de onvermijdelijke prins De Ligne. Ik bedenk me dat een tiental jaar geleden er een selectie is verschenen van de man, in één band, en met een mooie inleiding volgens Van Cauwelaert, die het boek nog heeft ingeleid bij de voorstelling. Ik heb het boek zelf ook staan, maar nooit gelezen. Een dure eed wordt gezworen. Ooit moet ik daar aan beginnen!

We staan nog even stil bij De Tocqueville, meer journalist dan theoreticus. ‘Een loner,’ volgens Van Cauwelaert, ‘die alles had kunnen krijgen van benoemingen, maar alles weigert, rustig doorwerkt in zijn kasteel en een van de belangrijkste boeken ooit schrijft over de democratie in Amerika. Maar als je zijn Souvenirs leest, dat is een journalist. Hij beschrijft afgevaardigden in het parlement die op het spreekgestoelte staan. Het zijn bijna fotografische portretten. Grandioos!’ Theoretisch is De Tocqueville inderdaad niet, ook niet in zijn De la démocratie en Amérique. ‘De manier waarop hij zich bijvoorbeeld over het belang van verenigingsleven buigt, zoals vandaag nog Mark Elchardus … dat moet je zeker gelezen hebben.’

De andere belangrijkste boeken ooit verschenen? ‘Wat is dat, belangrijkste boeken? Sommige boeken hebben een vreemd leven. De Tocqueville is een eeuw lang vergeten geweest. Tot Raymond Aron hem begint te citeren. Aron staat boven, daar staan mijn reactionairen.’ (lacht)

En ik zag hier beneden in de grote wandkasten al reactionairen en conservatieven staan. ‘Ik ben bijvoorbeeld een grote bewonderaar van een conservatieve filosoof die bij ons haast niet bekend is: Michael Oakeshott. Er is van hem nog niets vertaald naar het Nederlands. Nochtans schitterend. Ik heb lang over hem gepraat met John Gray, die hem goed heeft gekend. Een rare figuur. Een Britse conservatief. Hij weigerde alles. Thatcher wilde hem knighthoods geven, maar daarvoor bedankte hij. (lacht) Hij schrijft ook een geestig boekje over hoe je moet wedden op paardenkoersen.’ Zoals zijn collega Scruton een heel klein boekje heeft gemaakt voor de vossenjacht, On Hunting? ‘Inderdaad, het is een beetje gelijkaardig.’

Hoe ontdek je dan zo’n aparte, weinig bekende Britse filosoof? ‘Door John Gray in New Statesman.’ Ik werp op dat het toch apart is dat een sociaal-conservatieve auteur als Gray wordt opgepikt door het opinieblad van intellectueel links in Groot-Brittannië. ‘Daar heeft dat altijd gekund. Je moet maar eens kijken naar de geschiedenis van The Spectator en The New Statesman, om maar die twee te nemen, omdat die tegenover elkaar staan. Je hebt daar altijd de “andere” stemmen in gevonden. Ze gingen er allebei van uit dat als het interessant is, het erin komt. De meest gezonde reflex die je als bladenmaker kunt hebben.’

‘Wie je ook moet gelezen hebben, is Raymond Aron. Dat was lange tijd verguisd, want het was beter ongelijk te hebben met Sartre dan gelijk te hebben met Aron, zoals sommigen zegden. Maar om eerlijk te zijn, ik heb toch liever gelijk met Aron.’ (lacht)

Mijn oog valt op heel wat boeken over en van Ernst Nolte, de Historikerstreit. ‘En dan heb je de briefwisseling tussen François Furet en Ernst Nolte over fascisme en communisme. Ik weet dat het niet staat, maar ik maak geen verschil tussen beide, vreselijk moorddadige systemen.’ In die buurt ook heel wat boeken over socialisme en communisme. ‘Toen ik heel jong was, was het voor of tegen, was de wereld verdeeld. En dan heb je mensen zoals Robert Conquest, die op een moment dat iedereen hem wegzette als een CIA-agent – een beetje zoals Karel van het Reve –, de hongersnood die door Stalin is aangericht, aanklaagt.’ Rik zoekt het boek The Harvest of Sorrow, de eerste rij moet er aan geloven, maar vindt het niet meteen. Een hele wand vol boeken … in dubbele rij.

Terwijl Rik op de ladder staat, op zoek naar Robert Conquests boek probeer ik hoogte te krijgen van de structuur van zijn bibliotheek. ‘Dat lukt toch niet. Daar moet je niet mee inzitten.’ De kasten zijn heel eclectisch samengesteld. Met ook een heel Joods onderdeel: Hans Jansen, Theodor Herzl, Kaddish. ‘Kaddish is een echt meesterwerk. Ken je dat, van Leon Wieseltier? Een Amerikaans journalist. Door de dood van zijn vader is die gaan nadenken over het Joodse dodenritueel. Een prachtig boek.’ En diezelfde kast, van de Leuvense katholieke groep Universitas: Universitaire bijdragen tot het rassenvraagstuk, 1939. Met hoofdstukken als ‘Volksleer en Führerprinzip’ en ‘Racisme en de Kerkelijke Leer’. Het zit volledig in de tijdsgeest. ‘Goudmijntjes om die tijdsgeest te kunnen vatten.’ Of hij al die zaken ook leest? ‘Het is een naslagbibliotheek. Ik koop soms boeken enkel voor een hoofdstuk.’

Ook een hele collectie over Bismarck en Pruisen. ‘Dat zijn planken vol boeken die met Duitsland te maken hebben. Wat ik erg fascinerend vind, is het Duitse verzet tegen Hitler.’ Ik merk op dat Dirk Rochtus daar een boek over aan het schrijven is. In Riks kast veel boeken over de protestantse dominee Bonhoeffer en Sophie Scholl. ‘Die zijn lang door de geschiedenis weggedrukt geweest.’ Inderdaad, in Vlaanderen kennen we weinig of niets van Scholl, de Kreisauer Kreis, de Weisse Rose, de Swing Boys … ‘We kennen daar inderdaad weinig van,’ bevestigt Rik, ‘en aanvankelijk werden die ook wat afgedaan alsof dat verzet weinig voorstelde. Ik had het daarover met Günter Grass, toen ik hem ontmoette bij de opening van een tentoonstelling in Aarschot. We zaten samen te eten en zijn boek was net verschenen waarin hij toegaf dat hij bij de Waffen SS was geweest. En hij wijst daarin op zijn jeugdige leeftijd. En ik wees hem er die avond op dat er waren die jonger waren, zestien, en die in het verzet zijn gegaan. Hoe kwam dat? En hij antwoordt: “die zijn anders opgevoed, die komen uit een andere sociale laag”. Dat is volgens mij geen argument, er waren Saksen Coburgs bij de SA.’

‘Dit is een fantastische auteur. Een van de best bewaarde geheimen, de Spaanse schrijver-essayist-filosoof Miguel de Unamuno. Door Franco’s troepen uit de universiteit verwijderd, hoewel hij niet tot het Republikeinse kamp behoorde.’

Op dezelfde plank valt mijn oog op wat ikzelf een fantastisch en belangrijk boek vind, van de Leuvense historicus Emiel Lamberts, Het gevecht met Leviathan. ‘Dat is een van die boeken … Dat begrijp ik dus niet. Iets gelijkaardigs in het Frans of het Engels … Dat is een heel belangrijk boek. Iedereen zou dat moeten gelezen hebben.’ En het is wachten op het vervolg ervan, de Zwarte Internationale tot de jaren 1930. Van Cauwelaert: ‘Dat boek steekt hier niet toevallig bij De Montalembert, da’s ook een van die figuren, maar da’s de man die tegen de betoelaging van de Kerk door de Staat is. Want hij zei: “als de staat je geld toewerpt, moet men zich bukken om het op te rapen”. Een schitterend figuur die ook veel met België te maken heeft. Hij was getrouwd met een de Mérode.’

In dezelfde kast: C.S. Lewis, niet omdat het een conservatief is, zegt Rik. ‘Dat zijn geweldige schrijvers. Zoals Boris Johnson ook.’ Ik vertel dat ik dat boek ooit cadeau heb gegeven aan Bart De Wever, maar dat die later een mooiere hardcoveruitgave heeft gekregen van de burgemeester zelf. ‘De Wever vertelde me onlangs dat hij een brief heeft gekregen van Johnson, maar dat hij nog altijd bezig is die te ontcijferen. Die man moet zo’n verschrikkelijk geschrift hebben …’ En zo meanderen we tot bij Lord Acton, de man van de uitspraak: ‘Macht corrumpeert, absolute macht corrumpeert absoluut.’, en daarom was hij als katholiek tegen de onfeilbaarheid van de paus.

Van Cauwelaert heeft geen idee over het aantal boeken in huis. Het gaat uiteraard over enkele duizenden, maar het is ook moeilijk het zo in te schatten. We hebben nog maar één kast en één wand ‘onderzocht’. Aan de andere kant van de kamer, een even grote boekenwand. ‘Dat is bijna allemaal België. Een naslagbibliotheek vooral. Biografieën, dagboeken van Hendrik De Man … ‘De biografie van Frans Van Cauwelaert – als ik die niet in huis zou hebben, zou dat een schande zijn.’ In die kast veel over het koningshuis, Belgische politici, ‘met mijn eigen klassement, zoals je kan zien’ (lacht). ‘Maar met veel belangstelling voor wat er in Franstalig België bestaat. Mijn vader was een anglofiel, en zijn broer Karel, de senator, was een francofiel. En die bezoeken hier bij ons thuis – want dit is het ouderlijk huis – dat was een uitwisseling van lectuurlijsten.’

Naast die belgicana een indrukwekkende collectie van en over conservatieve en conservatief-revolutionaire auteurs: Curzio Malaparte, Ernst Jünger, Ernst von Salomon, Heidegger … ‘Alle verdachte schrijvers staan hier bijeen. (lacht) Ook Alain de Benoist. Je moet alles lezen!’ Zo ook Viktor Klemperer, Le language totalitaire, ‘een belangrijke studie. De LTI, de Lingua Tertii Imperii heb ik niet staan, ik zoek nog altijd een goed uitgave ervan.’ En Ernst Jünger, die veel ruimte inneemt in de bibliotheek. Boeken van Jünger, ‘een fantastische figuur’, en over hem. Rik toont trots een boekje waarin hij ontdekte dat Jünger zijn 20ste verjaardag vierde in het Pajottenland, in Herne. ‘ In de originele Im Stahlgewittern dat staat de Franse benaming Herinnes. De Nederlandse vertaler heeft dat zonder meer overgenomen.’ Zelfs een gesigneerd exemplaar van Jünger, met een Franse opdracht. ‘Hij had nog in Parijs gezeten, hij sprak uitstekend Frans. Hoe komt zo’n figuur op het randje van de collaboratie terecht met het nazisme, dat fascineert me.’

In dezelfde buurt: Gabriele D’Annunzio en de originele Franse uitgave van La Technique du Coup d’Étatvan Curzio Malaparte. ‘Dat is lang verboden geweest, dat boek. Mijn vader had de hand kunnen leggen op een exemplaar. De man die mijn vader met boeken ravitailleerde was Mathieu Corman, van de boekhandel in de Ravensteinstraat in Brussel. Die vloog af en toe de gevangenis in voor wat hij onder de toonbank verkocht. Echte curiosa.’ (lacht) Een schitterende boekhandel was dat, waar je al die auteurs kon vinden.

De studeerkamer. Een héél grote werktafel met computer en stapels tijdschriften en boeken. En ook hier: volgestouwde boekenkasten. Alles mooi achter glas. Beneden de denkers. Boven de dichters. En veel Kuifje-figuren. Maar ook Van Amerongen en Bart Tromp, ‘vele socialisten zouden dat beter opnieuw lezen’. Daarnaast Marx. Waar haalt Van Cauwelaert toch de tijd dat allemaal te lezen? ‘’s Morgens ben ik heel vroeg op. Ik heb daar geen enkele verdienste aan, maar ik heb dus veel tijd om te lezen.’ 

Beneden stonden de kasten al vol conservatieve denkers en publicisten, boven tref ik er nog meer aan: Carl Schmitt (en daarnaast Chantal Mouffe), Raymond Aron, G.K. Chesterton, Joseph de Maistre, Roger Scruton, F.A. von Hayek, Nicolaus Sombart … Karel Van het Reve. Van die laatste heb ik nog nooit iets gelezen. ‘Zeg dat maar niet tegen Marc Vanfraechem!’ Maar dat heb ik hem eerder al opgebiecht, geef ik ootmoedig toe. 

Maar ook de volledige werken van Sir Walter Bagehot heeft hij in de kast; ‘wie kan dat zeggen dat hij dat in huis heeft?’ Vijftien delen. ‘Op internet viel ik op een Schotse boekhandelaar die aan het opruimen was. Daar heb ik dat gekocht. Het is uitgegeven door The Economist. Schitterend geannoteerd. Maar wie koopt dat, behalve een of andere gek in het Pajottenland? Maar die man heeft wel hét boek over nationale banken geschreven en dan The English Constitution, waaruit iedereen zonder het gelezen te hebben citeert wat een koning in een constitutionele monarchie mag: adviseren, waarschuwen en aanmoedigen.’

‘En hier is Gaston (Durnez) jaloers op: een gesigneerde editie van Chesterton.’ Rik kan het boek niet vinden. Uitgeleend? ‘Never. Zelfs niet aan Gaston’. Het duurt even voor hij het boek gevonden heeft. Ik sta er vreemd naar te kijken. Een Nederlandse vertaling van Chesterton … door Wies Moens. ‘Chesterton was een held, in die periode.’ En dan haalt hij nog een Chesterton boven: gesigneerd. Exemplaar zes van de 30 genummerde boeken over Franciscus van Assisi. ‘Chesterton heeft een prachtig gedicht geschreven, The Ballad of a strange town, dat over Lier gaat, waarvan hij aanvankelijk dacht dat het Mechelen was. Dat verhaal staat in het boek van Durnez over Chesterton. Jef De Belder heeft dat gedicht vertaald.’

En als we het over de Vlaamse Beweging hebben, wat nooit een vervolg heeft gekregen en eigenlijk zou moeten krijgen, is de fameuze Bibliografie van den Vlaamse Taalstrijd’ van Theo Coopman en Jan Broeckaert. Een goudmijn van de negentiende eeuw. Wij kennen allemaal Coucke en Goethals wel, maar er waren er zo nog, die veroordeeld werden omdat ze geen Frans verstonden. En die staan hier allemaal in. Met excerpten uit de kranten van toen. Alles wat met de Vlaamse taalstrijd te maken heeft is hier samengebracht.’ Deel 1 beslaat 1787-1844, uitgegeven in 1904. Deel 10 gaat tot 1886. ‘Niemand heeft zich ooit geroepen gevoeld dat verder te zetten.’ Ik sta verwonderd te kijken naar het monnikenwerk.

Wat verder een collectie Revel, Aron, Montaigne, Popper, Montesquieu, de volledige collectie van het tijdschrift Nexus - Rik noemt zichzelf ‘een absolute fan, ik ga altijd’ naar de lezingen van het elitaire Nederlandse genootschap.

En dan is er een hele kast vol journalistiek.

We zijn een uur verder en hebben een hele intellectuele kast leesvoer opengetrokken. Meanderen door Rik Van Cauwelaerts bibliotheek is een dagvullende taak. Toch dringt de one million dollar question zich op. Wat zou iedereen (die Doorbraak leest) moéten gelezen hebben?

De eerste naam die valt, is Max Weber over de protestantse ethiek en het ontstaan van het kapitalsme. En H.L. Mencken, ‘dat is ook een van mijn helden’, over journalistiek. ‘Dat is Johan Anthierens maar dan in het kwadraat.’ Raymond Aron ook, zijn L’opium des intellectuels. ‘Dat is helemaal transponeerbaar naar nu. Toen was het communisme, maar nu zitten we met hetzelfde. Als je ziet waar links zich heeft opgesteld … Als je een paar opmerkingen maakt, is dat al genoeg om bij extreemrechts gezet te worden. Sus Verleyen heeft dat een keer mooi verwoord in Knack, toen hij zei “het kan toch niet dat omwille van het feit dat een bepaalde partij – het gaat om het Vlaams Blok – een probleem aankaart, dat dit probleem onbespreekbaar wordt”. Hij heeft me later verteld dat je je niet kunt voorstellen hoeveel en welke telefoons en brieven hij heeft gekregen. Van vrienden. Niet van lezers. Dat mocht toen gewoon niet gezegd worden. Met als gevolg dat bepaaldeproblemen veel te lang onder de mat zijn gebleven. Recent was er in Le Soir een peiling waaruit blijkt dat Wallonië veel minder gastvrij is dan Vlaanderen, ook al denken wij het omgekeerde. Blijkt uit die peiling dat 53 procent van de Vlamingen de regering veel te coulant vindt tegenover de instroom van vluchtelingen. In Brussel en Wallonië liggen de percentages veel hoger.’ Maar dat lazen we niet in Vlaamse media. ‘Conclusie van een Franstalige academicus was dan: de Walen zijn slecht voorgelicht. Sommigen denken dat er tot 50% immigratie is in België. Wel, die ondervraagden wonen wellicht in buurten waar dat wel het geval is. En dat heeft men altijd onderschat, wat dat doet met het stadsweefsel. Alle rellen met schietpartijen, zoals in Antwerpen en Schaarbeek, zijn verpauperde, gefrustreerd blanken in zulke buurten die het in hun hoofd krijgen en dan schieten. Men heeft er veel te weinig voor gezorgd dat de integratie van de nieuwkomers op een ordentelijke manier verliep. Steden als La Louvière, Charleroi zijn daar het slachtoffer van.’

Wat de Doorbraak-lezer zeker moet lezen over de eigen geschiedenis is Greep naar de markt van Olivier Boehme. 'Zonder dat kasseidikke boek valt de gestage opmars van de Vlaamse Beweging, maar ook de economische ontwikkeling van de Vlaamse regio amper te vatten.' Maar de mustread van de Belgische politieke geschiedenis, dat zijn de memoires van Gaston Eyskens. Van Cauwelaert wijst daar heel vaak naar, en vandaag weer. ‘Ik zei dat ook al tegen jonge journalisten. Als je dat niet gelezen hebt, weet je niets van de Belgische naoorlogse politiek. Dat is ook de standaard van de echte politieke memoires. Hij was ook de grootste Belgische premier na de oorlog.’ Na Verhofstadt, dan toch, merk ik op. Van Cauwelaert lacht instemmend: ‘Uiteraard! Buiten concours!’

Om het gesprek af te ronden keren we terug naar de zit- en leeskamer, naar de mooie grote boekenkast die Van Cauwelaert ooit van een boekhandelaar op de kop heeft kunnen tikken. De kast kreunt onder het gewicht van de boeken. Hij wil me nog één boek laten zien. The Economic Consequences of Peacevan J.M. Keynes, verschenen in 1920. Daarin krijgen de Belgen ervan langs omdat ze volgens Keynes hun oorlogsschade hebben overdreven. Dat werk kreeg overigens meteen een 'Vlaamse' editie. En nu we toch weer voor die kast staan, bedenkt Rik zich dat er toch nog een belangrijk boek is. Feilloos haalt hij een mooie uitgave uit de kast: La trahison des clercs van Julien Benda. Ook zo'n belangrijk werk dat iedereen moet gelezen hebben. Dan toch.